OOSTERHEERD
ik denk en voel
veel meer dan ik schrijven kan
meer in de afgrond van hoe een dal in de bergen kan duizelen
over hoe we niet weten van het donkere blauw in de diepste zee
veel ook in de weide die als een waaier een vogel haar vleugel is
in elk lijntje
die haar veren vormt
de kleuren zonder of met de zon
in de laag van lichtblauw boven groen
zo als toen op Terschelling, langs de dijk met de wind in mijn rug
toen ik mee fietste
en in een windvlaag haar ruimte zag
opzij met een stoot, de vleugel wat strak, ging ze in oneindig
lichtblauwe schittering, groenen en een slinger van grijs
een stipje volgt bevlogen en zwaait in gedachten uit
Experiment
de norm van hameren
waar bakstenen opgeheven dromen overlappen
spoelt lijzig spanning door de sluis
hier huilen wolven over hokjes van smakeloos cement
tussen twee natte
tubes zet de grote platvoet donderend een onderzetter neer
vloeiend en welbespraakt plakt een oranje plakkertje onder het witte servetje
en een matras in vage apathie
plus een pluizig badmatje peilen saaie schreeuwende woorden
conserverend
en al proestend draait een mens op de linker zij
gebroken geurt met heel veel kleur de onderzetter
onder de uitverkoren platvoet glimmen sneeuwballen die tegen ruiten willen
plakken
maar met kerst varen we liederlijk door het spiegelende landschap van verzonken
slaapogen
bedremmeld liggen skisokken tussen twinkelingen van verstikkende tijd
gerookte kip en halfbakken weddenschappen
dan zetten de
wolven hun scheppen in de grond en wenen tegen de stelen
nieuwsgierig sluipen lekkere dingen op papier en worden witpropvisjes
ze geven fortuinlijke schaduwen via de slijpsteen van gesluierd hemellicht
de slaapogen uit vochtige modder voegen zich terzijde
fier flirt lichaamswarmte
de straat op
er loopt een witpropvisje door het zeegras
te pas en te onpas
boem
de open zeeën gorgelen nu gigantisch vredig